De Zwitserlevengevoel-paraplu

Ik at bij Walter en Saskia. We hadden Surinaams gehaald, Saskia had eigenlijk al gegeten. Het regende buiten en ik ging nog even de stad in. Saskia zei: “Wil je een paraplu mee?” Ik schudde nee, ik red het wel.

Ik stapte de voordeur uit, de overloop op, en hoorde de regen keihard op het dakraam kletteren. “Weet je zeker dat je geen paraplu wilt?” vroeg Saskia. Toch maar wel, dan, misschien. Walter zei: “Hij is toch niet van ons.”

Het was een reclameparaplu, maar geen slechte, al was het uiteinde kromgebogen. De paraplu was rood en groot, en er stond een wit Zwitserlevengevoel-logo op. Ik wurmde me door het centrum van Amsterdam, nam teveel verkeerde trams en liep omwegen. Allemaal niet erg, want de paraplu hield me droog.

Hij beviel zo goed dat-ie mee mocht naar België. Ik stak ‘m tussen de rechterstoel en rechterdeur van de auto van Annemiekes moeder. Daar heeft-ie de hele vakantie gelegen, maar dat maakt niet uit. Wat wel uitmaakt is dat-ie ons een veilig gevoel gaf.

Zondag ging het mis. We brachten de auto terug naar Annemiekes moeder. Op het laatste moment dachten we eraan om de paraplu uit de auto te pakken en mee te nemen. Maar in de trein van Arnhem naar Utrecht sloeg het noodlot alsnog toe.

Ik stak de rode Zwitserlevengevoel-paraplu tussen de bank en het raam, en daar bleef ie liggen toen we het perron opliepen. Op weg naar de bushalte begon het te regenen, en er was geen paraplu om ons te beschermen.