Ellen ten Damme

Ze was kleiner in het echt dan op tv. Ze zag er mooi uit. En ze deed heel gewoon tegen ons. Gewoner dan de baliemeisjes, die na één succesvolle zin en één mislukte zin zomaar wegliepen.

Ze zat er een beetje verloren bij. Ze zei: “Ik moet een boek schrijven voor Nijgh & Van Ditmar, maar ik heb er de tijd niet voor. En ik zou bij god niet weten hoe je zoiets doet, een boek schrijven.”

We vroegen waar het over moest gaan, dat boek. Ze haalde haar schouders op en rolde met haar ogen. “Er is ook zo’n blad. Ze hebben me gevraagd of ik daar columns voor wil doen. Maar om dan gewoon columns te bundelen, dat is ook weer zo wat. Daar zit toch niemand op te wachten?”

Ik was een beginnende jonge schrijver. Peter-Paul was een beginnende jonge illustrator. Wij waren een ietsiepietsie beetje gevestigde orde op Querido’s nieuwjaarsborrel. We kenden er toch al snel vier, vijf mensen, exclusief de baliemeisjes. En Ellen ten Damme, die kende er niemand.