Feestziek

Om kwart voor tien belt ze. Of ze ‘Mario Party 5’ mag komen spelen. Op de GameCube. Dat mag, zeg ik. Gisteravond speelden we het ook al. En eergisteravond ook.

De vorige keer dat ik dit digitale bordspel met vrolijke minigames serieus beoefende was in 1998. Dat deed ik onder andere met zusjes en buurjongens, tot ik alle spelletjes met mijn ogen dicht kon winnen. Behalve de onderdelen waarbij je zo snel mogelijk achter elkaar op de A-knop moest drukken. En de onderdelen waarbij je de analoge joystick zo snel mogelijk moest ronddraaien. Die spelletjes waren me net iets teveel moeite. Andere mensen dachten daar anders over: een zusje liet me eens trots haar hand zien en zei: “Kijk! Blaren van ‘Mario Party’!”

Dat was het allereerste deel, op de Nintendo 64. Daarna kwamen ‘Mario Party 2’, ‘Mario Party 3’ en ‘Mario Party 4’, en over al die spellen schreef ik: “Het is nog steeds een digitaal bordspel. De minigames zijn even leuk, het speelbord is even saai. Zeker als je niet met vier échte spelers speelt, maar tegen de computer. Nintendo, toon de volgende keer wat meer lef en leg het speelbord in de trapkast.”

Ik herinner me Mario Party als een saaie videogame waarbij je vooral veel op de andere spelers moet wachten. Ik verbaasde me over de jaarlijkse nieuwe versie, en over de verkoopcijfers, die iedere keer bewezen dat er toch mensen op zaten te wachten. Nu begint het langzaam weer tot me door te dringen wat er aan de hand is met Mario Party: het is zo leuk, dat je het speelt tot je er strontziek van wordt.