Gesprekje met mijn oma

Ik spreek mijn oma veel te weinig. Dat zit zo: ik vind haar een ontzettend lieve vrouw, maar ik weet niet zo goed wat ik tegen haar moet zeggen. Ik ben niet goed in ‘zomaar een gesprekje’, laat staan met iemand van twee generaties terug. Mijn oma hoort ook nog eens slecht. Ik vind het ongemakkelijk om mijn stem te verheffen of een eerdere zin te herhalen, zeker als ik toch al niet het idee heb dat ik iets relevants zeg.

Gisteren vierde mijn oma haar verjaardag in een sjiek restaurant. Er waren drie tafels, genoeg voor de hele familie. Bij iedere gang deed oma een stoelendans, zodat ze uiteindelijk aan iedere tafel dik een uur gezeten heeft. Tijdens de vissensoep met spannende zeevruchten op de bodem zat ze naast mij. Mijn oma vertelde over vroeger.

Ik was haar eerste kleinkind, met mij heeft ze het meest van alle kleinkinderen rondgesjouwd. In de buggy. Mijn ouders werkten allebei deeltijd, wat precies om de kinderen heen te plannen was, behalve op woensdag. Er was een oppashulp nodig en oma wilde wel inspringen. “Opa werkte toen nog gewoon,” zei mijn oma. “Later kwam hij ook mee, met veel plezier.”

Als klein jochie was ik al opmerkelijk gevat, vond mijn oma. Ik moest hard lachen om volwassen grapjes op tv. Eten dat ik niet lustte voerde ik vanuit mijn kinderstoel aan de hond, Raidie, en later aan de kat, Kleine Poes. Op een keer zei ik tegen oma, strak gezicht, Raidie aan mijn zij: “Je moet je bekkie houden!” Zeker ergens iets opgevangen. Mijn oma deed haar best om de lach tegen te houden en streng te blijven, lippen strak op elkaar.

De huiskamer lag vol met speelgoed. Er was een grote blauwe kist met houten treinonderdelen, er kwamen buurtkinderen over de vloer. Zelfs Jeroen, die van zijn moeder in de zomer eigenlijk alleen buiten mocht spelen. Mijn oma liet ons vrij om de middag zelf vorm te geven, zoals we het zelf wilden. Het was alleen eng als we via de trap naar boven en weer terug gingen wandelen.

Toen al communiceerde ik in korte, kernachtige zinnen, net als nu in mijn boek ‘Toiletten’. Mijn oma heeft het gelezen. Ze herkent een boel. “Maar,” zegt ze, “er zit ook een flinke dosis fantasie in”. Mijn oma herkent mijn stijl ook als ze ‘Gammo’ kijkt, op Veronica.

In mijn herinnering aten we op die oppaswoensdagen altijd chili con carne omdat opa dat zo lekker vond. “Nee,” zei mijn oma. “Hij lustte het juist niet. Je moeder maakte het omdat het gemakkelijk was, en snel te bereiden. Uiteindelijk wende opa eraan en vond hij het ook lekker.”

Het gesprekje viel mee. Het was zelfs gezellig, maar reden om vaker naar mijn oma te gaan heb ik nog steeds niet. Ik weet immers hoe het zat met de chili con carne. Waarover moeten we het verder nog hebben?