Het hondje Blacky

Toen mijn vader een klein vadertje was, woonde hij in Soerabaja.

Op een dag kwam er een bang zwart hondje aangerend, achternagezeten door joelende Javanen. Mijn vader nam het hondje snel mee naar binnen. Achter zich sloot hij de deur. Hij vroeg zich af wat de joelende Javanen voor nare dingen hadden uitgespookt met het beestje en aaide het over zijn kop.

Mijn vader was in die tijd een echte Martin Gaus. Hij raakte nu al gehecht aan het hondje en vroeg aan mijn oma: “Mag het hondje blijven?” Mijn oma zei dat mijn vader dat maar aan mijn opa moest vragen, die later die dag terug van zijn werk zou komen.

*

Mijn opa kwam thuis en zei: “Wat een onzin, dat beest gaat er uit en wel nu meteen.” Het hondje was uit angst onder de kast gaan zitten. Mijn opa zei “Hup, weg jij” en ging op zijn knieën voor de kast zitten. Hij stak zijn hand onder de kast om het hondje te grijpen, maar het hondje ging net een deel van zijn persoonlijkheid onthullen door zijn tanden in mijn opa’s hand te zetten.

Mijn opa schold, hij had een pijnlijke vleeswond opgelopen. Het hondje zat nog steeds onder de kast. De angst joeg de rillingen door zijn minilijfje.

Noem het een vreemde gang van zaken, maar het hondje bleef. Men noemde hem Blacky. En toen de familie terug naar Nederland ging mocht Blacky gewoon mee. (Saillant detail: het kostte zo’n 4000 gulden om een hondje op de boot van Indonesië naar Nederland mee te nemen, een reis waar je vier weken over deed.)

*

Blacky bleef een raar hondje. Zo moest men altijd uitkijken met de combinatie van Blacky en post. Kreeg het beestje een mooie flyer in de bek, dan werd dit tot tientallen flarden uiteengereten. Blacky had ook wel eens echte post tussen zijn tanden gekregen, maar, zo wilde het lot, met belangrijke post was het nooit misgegaan.

Blacky was geen normaal hondje, zeker niet met vreemden. Als mijn vader de deur opende voor een bezoeker en niet had nagedacht over de positie van Blacky en de al dan niet bestaande relatie tussen Blacky en de bezoeker, dan kon het zomaar gebeuren dat het beest als een killer rabbit naar de nek van de bezoeker sprong.

En Blacky was geen grote hond: hij moest zijn eigen hoogte een keer of tien overbruggen om iemands nek te bereiken. Mijn vader zou zich nog regelmatig afvragen wat die joelende Javanen voor nare dingen met het beest hadden uitgespookt.

*

Mijn opa en oma hadden in Soerabaja vrienden gemaakt, een Friese gediplomeerde banketbakker en zijn vrouw, die uiteindelijk geen succes hadden gehad in Indonesië en naar Nieuw Zeeland waren verhuisd, een soort tweede poging. Mijn opa en oma hadden al jaren niets meer van hen vernomen.

Op een dag kwam er eindelijk een brief en je raadt het al: Blacky was het eerst bij de brievenbus en de brief verdween in een dikke stapel kwijlerige snippers. Als ik de verhalen mag geloven waren mijn opa en oma eigenwijze mensen, maar nu wilden ze toch wel toegeven dat het handig was geweest als er een bak onder de brievenbus had gezeten, om post op te vangen.

Mijn opa en oma wilden graag lezen wat de vrienden die naar Nieuw Zeeland waren verhuisd hadden geschreven. Aldus gingen ze aan de slag. Het werd stil in het huis van mijn vader, want mijn opa en oma mochten niet gestoord worden tijdens dit secure werkje. En ze mochten al helemaal niet geholpen worden. Dit was een taak voor grote, voorzichtige mensen.

Na een paar uur was duidelijk dat de brief uit acht dubbel beschreven velletjes bestond, maar het zou dagen duren voordat het verhaal was hersteld. Al die tijd was de sfeer om te snijden.

De ontzetting was groot toen het werk was gedaan: de eerste zeven vellen gingen over de bevalling van het eerste kind (oud nieuws voor mijn oma, die al aan haar derde was) en ’t laatste vel was een uiteenzetting van de omstandigheden daar: mooi weer, wijdse omgevingen, alle ruimte: “Waarom komen jullie niet ook?”

*

Halverwege de jaren tachtig zijn mijn opa en oma nog een keer naar Nieuw Zeeland afgereisd. Na hard werken hadden de vrienden een kippenboerderij overgenomen, waarmee ze veel geld hadden verdiend. Het was inderdaad mooi en wijds in Nieuw Zeeland, en er was inderdaad alle ruimte. “Dat strand daar, dat is van ons”, zeiden de vrienden, “en die heuvel daar, die ook. Als jullie willen kunnen jullie hier zo een huis bouwen. Jullie zijn welkom.”

Blacky was toen al lang dood, zoals dat gaat met angstige zwarte hondjes.