Modern taalgebruik

Zondagavond 21 maart, eerste dag van de lente, debutantenpanel in café Het Bolwerk te Enschede, georganiseerd door literaire stichting Melita. Dichteres Tjitske Jansen, schrijfster Annelies Verbeke en ondergetekende flapdrol lezen voor uit eigen werk en beantwoorden vragen. Hoe en waarom we een boek hebben geschreven; hoe we de toekomst zien; hoe dit werk zich verhoudt tot onze respectievelijke vakgebieden: toneel, film en games.

Tevoren dineerden we. De gesprekken gingen over reizen vanuit België, vuurwerkrampen en prinses Juliana die ondanks alles toch zo normaal was gebleven. Ik had een kipfilet met ananas en saus, en een Parijse soes toe. Het bleek een kolossaal bouwwerk van bollen ijs, deeg en slagroom. Na afloop zat ik goed vol.

In de toiletten viel mijn oog op iets moois: een plastic trapje in het hoekje naast het urinoir. Ook dwergen kunnen plassen in restaurant Atrium.

*

Het is gek om te praten over en voor te lezen uit mijn felroze debuutroman. Ik schreef het eind 2000 en begin 2001; een jaar geleden werd er nog wat gesleuteld; inmiddels ligt het bijna een halfjaar in de boekhandels. Met mijn hoofd zit ik bij ‘Sneeuwdorp’, verhuizen, tv-programma’s, tijdschriften, gamesites, ‘Nintendo Watch’, ‘Killer 7’, boekenbal, literaire weblogs, Walter van den Berg.

In de pauze komt een wat oudere heer naar me toe. Hij zegt: “Ben je niet bang dat je door je moderne taalgebruik nooit zult schrijven voor de eeuwigheid, zoals Elsschot?” Ik denk na over een antwoord en stamel de eerste woorden van een prille zin, maar de meneer is al weggelopen. Het was een statement. Een one-liner.