Dat zijn nog eens mooie boekomslagen: die van Penguins nieuwe James Bond-pockets. Zo mooi dat ik niet kan kiezen welke ik het mooiste vind. Ik zou ze er bijna van gaan lezen. ↵
Zorgen videogames niet voor extreem geweld, dan zijn het wel gewelddadige schrijfsels. Zucht. ↵
Eén ding waarover ik me vandaag verwonderd heb: waarom ‘Fitna’ nog steeds de ‘film’ van Wilders genoemd wordt, terwijl het met 16 minuten toch echt niet meer dan een ‘filmpje’ is. ↵
In juni verschijnt in Japan ‘Ponyo on a Cliff’, de nieuwe tekenfilm van Hayao Miyazaki. Hij ziet er weer fantastisch uit, kleiner dan ‘Howl’s Moving Castle’ en daardoor hopelijk net zo magisch als ‘Spirited Away’. De magie van de treinreis in die film zou ik graag in mijn boeken willen vangen. ↵
Mooie observatie over ondernemers bij Y Combinator, een incubatorbedrijf: “Strange as this sounds, they seem both more worried and happier at the same time. Which is exactly how I’d describe the way lions seem in the wild.” Tegelijk bezorgder en gelukkiger, als wilde leeuwen. Zo’n zin waar ik eigenlijk iets mee zou moeten doen. ↵
Op 11 april verschijnt ‘Bastaardsuiker’, het nieuwe boek van Arjen Lubach. Net als voor zijn debuutroman heeft hij er een prachtige trailer voor gemaakt. Mooi fenomeen vind ik dat, boektrailers. Zo een wil ik er straks ook wel. ↵
Het zelfportret van Kubrick en van mij
Dit is een bekend zelfportret van Stanley Kubrick, uit de tijd dat hij fotografeerde voor het Amerikaanse tijdschrift ‘Look’:

En dit is de foto die ik als zelfportret gebruik op deze website. De gelijkenis viel me pas kort geleden op:

Bram Ruiter is 19 en filmmaker. Ik ken hem omdat een van zijn droomprojecten het verfilmen van mijn debuut ‘Toiletten’ is. Laat maar zien, denk ik dan. Ik heb goede hoop dat het tof wordt als hij het van de grond krijgt – zijn korte films zijn technisch goed en hebben een aangenaam sfeertje. ↵
Niels, hoe gaat het met je boek? Aflevering 1
Laatst sprak ik Gustaaf Peek, die net zijn tweede boek, ‘Dover’, heeft uitgebracht. Peek vertelde me dat hij duizend woorden per dag schrijft. Niet gemiddeld, maar plichtmatig. Hij zet zijn woordenteller erop gelijk. En wat er ook gebeurt, of het stormt, of er visite is, die duizend woorden zullen er komen. (Er gaat een gerucht dat hij te laat was op zijn eigen boekpresentatie, omdat hij zijn duizend woorden nog niet had gehaald.)
Wel is het zo dat hij een boel van zijn woorden dezelfde dag nog schrapt, waarschijnlijk met een filosofie als: ze zijn niet allemaal even briljant, maar er moeten er haast wel goeie tussen zitten. (En dat is ook zo, gezien de reacties op zijn boeken.)
Iets eerder sprak ik Miquel Bulnes. Momenteel werkt Bulnes — als mijn informatie juist is — in Spanje aan zijn vierde roman. Hij is iets conservatiever dan Peek en mikt op vijfhonderd woorden per dag. Meestal lukt dat. En dan te bedenken dat het bij hem wel een netto-quota is. Zelfs als hij bestaande tekst terugleest en daarin stukken schrapt, moet zijn gehele document aan het eind van de dag vijfhonderd woorden zijn gegroeid.
Als ik zulke verhalen hoor, denk ik: wat knap, wat gedisciplineerd. En ik spiegel ze aan mezelf.
Want wat heb ik de afgelopen maanden nou bij elkaar gesprokkeld? Ik geloof niet dat ik het wil weten. Het kan niet meer zijn dan een paar duizend woorden. Het lukt me nog steeds niet om veel tijd vrij te maken en als ik dan ga zitten voor mijn nieuwe boek, ben ik vooral aan het puzzelen. Dat is wat ik al een tijdje zeg als mensen vragen hoe het met mijn boek gaat: “Het wordt wat. Maar het is nogal een puzzel.”
Beknopte geschiedenis
Ik weet niet eens meer precies wanneer ik ermee begonnen ben. Toen ik in de laatste maanden van 2005 op een zonnig eiland bij Honduras het laatste ruwe schaafwerk aan ‘Sneeuwdorp’ verrichtte, schreef ik ook wat hoofdstukken voor een verhaal dat ‘Ninja Gimmick Girl’ heette. Paul Sebes, die nog steeds mijn literair agent is, las het opzetje en zei zoiets als: “Grappig, maar wanneer ga je nou een écht boek schrijven?” Dat raakte een gevoelige snaar. Ninja Gimmick Girl verdween in de la en ik ging nadenken over échte boeken.
In de loop van 2005 moeten er een aantal dingen samen zijn gekomen, want in mei 2006, toen ik vooraf aan de E3-videogamebeurs in New York was, legde ik de laatste hand aan een opzetje voor een nieuw verhaal, dat toen ‘De verdwijners’ heette. Het was een redelijk complete draft van het eerste deel uit een soort drieluik – 20.000 woorden, 8 hoofdstukken. Althans, ik dácht dat het redelijk compleet was. Wederom was het Paul die me motiveerde om niet te snel tevreden te zijn. Hij suggereerde dat ik een aantal dingen beter uitwerkte. Dan kon het, vermoedde hij, heel bijzonder worden.
In de praktijk kwam ‘dingen beter uitwerken’ neer op ‘terug naar de tekentafel’. Mijn plot bleef hetzelfde, maar de vertelstructuur veranderde. Door de helft van het boek aan één plaats van handeling te koppelen, kon ik de andere helft nog veel breder en wilder maken. Waarbij ik besefte dat voor iedere graad die mijn boek breder en wilder werd, er een element bij kwam dat minstens goed, liefst geweldig uitgewerkt moest worden, wilde de constructie overeind blijven.
(Ik geloof zelfs dat de constructie instabieler wordt naarmate er meer elementen aan worden toegevoegd. Kortom, hoe breder en wilder de scope, hoe steviger ieder afzonderlijk element moet zijn.)
Toen kwamen werk en leven tussendoor: ik ging naar Frankfurt en Kyoto om voor Nintendo te werken en ik trouwde. Maar in maart 2007 leverde ik een nieuwe opzet in, de 14.000 eerste woorden, 8 eerste hoofdstukken van wat ik ‘Op grote hoogte’ had genoemd (de titel is inmiddels alweer veranderd). Dit keer ging het zowel naar Paul als naar mijn redacteur bij Querido, Patricia, die tot op dat punt nog niets had gelezen. De feedback was eigenlijk heel simpel: oké, ga het maar schrijven.
Toen kochten we een huis, waar we een halfjaar intensief aan werkten. En daarna gebeurde het: ik probeerde mijn boek “maar te gaan schrijven”, zoals mijn begeleiders me hadden gevraagd… maar het lukte niet.
Puzzelen
Ik moet erbij vertellen dat ik al die jaren, ondanks outsourceprojecten, huwelijken, verre reizen, herfstdepressies, toffe tv-series en tijdelijke game-obsessies waardoor ik mijn boekdocument soms maanden achtereen onaangeroerd liet, wel continu bleef nadenken over mijn verhaal. Ik had altijd opschrijfboekjes en anders wel achterkanten-van-enveloppen bij me. In de wachtkamer bij de dokter, op de fiets, op weg naar de koffiezaak – overal dacht ik na over de structuur en logica van mijn verhaal.
Met als gevolg een joekel van een berg aan ideeën die allemaal min of meer bij elkaar hoorden. Min of meer, want al gaande ontdekte ik dat de boel vaak net niet op elkaar aansloot. Kortom, de logica klopte bijna, maar nog niet helemaal.
Het puzzelen begon. Want dat is wat ik eind vorig jaar ben gaan doen: alle ideeën, fragmenten, halve hoofdstukken en andere hersenspinsels een plek geven in een samenhangend geheel – in het outlineprogramma OmniOutliner, voor wie het weten wil. Ik moest mijn ingewikkelde structuur afbreken, met de intentie om die later weer op te bouwen. Een pittige, maar bevredigende klus, omdat ideeën lijken te vermenigvuldigen als je ze bij elkaar zet. Als een soort chemische reactie. Gaten in mijn verhaal vulden zich welhaast automatisch op, en op punten waar ik meende uit twee opties te moeten kiezen, deed zich op magische wijze een derde, nog betere optie voor.
Er was ook een keerzijde: door mijn verhaal in kaart te brengen, snapte ik veel beter waar ik in ‘s hemelsnaam aan begonnen was. Ik had stilletjes gehoopt dat ik, zeg, de helft van het boek al wel geschreven had. Maar het was hoogstens een kwart. Bovendien was niets van wat ik al op papier had goed genoeg. Ik zou het intensief moeten herschrijven. Hoe lang ging ik daar wel niet over doen? En ik was er al jaren mee bezig! Deprimerend en ontmoedigend.
Langzaam, heel langzaam kom ik op het punt waar ik gewoon weer kan gaan schrijven. Ik heb een aantal belangrijke lijnen uit het boek in chronologische volgorde gezet en daar duik ik nu een voor een in. Het valt nog steeds niet mee – de verleiding is groot om op puzzelniveau te blijven hangen. Maar het is essentieel dat er op tekstniveau werk wordt verzet, omdat het boek anders nooit afkomt.
Als de sterren gunstig staan en het lukt, dan spit ik mijn tekst zorgvuldig uit: bestaande stukken herschrijven, onderbrekende delen invullen, genoteerde ideeën samenvlechten tot een vloeiend geheel. Ik vind het heerlijk om zo bezig te zijn, maar het tempo valt tegen. Langzaam maar zeker ploeter ik door mijn lijn heen. Ik probeer niet te denken aan de andere lijnen. Of aan hoe de lijn die ik voor me heb in het geheel gaat passen. Dat is van later zorg.
(Dit blogstukje bestaat uit 1197 woorden, inclusief titel. En ik schrap er geen een.)
Dit lijkt me een puik plan: na je dood alles wat je gemaakt en bedacht hebt vrij beschikbaar stellen. Als ze mijn ingewanden mogen hebben, waarom dan niet mijn hersenspinsels? ↵
Filminspiratie: Cloverfield en Juno
Hoewel ik net weer eens een inspirerend boek heb gelezen (‘Slaughterhouse-Five’ van Kurt Vonnegut) en vervolgens, geloof ik, in nóg een inspirerend boek ben begonnen (‘Kiss of the Spider Woman’ van Manuel Puig), put ik normaliter meer uit films dan uit literatuur. De afgelopen week zag ik twee totaal verschillende films die me beide herinnerden aan waarom ik dingen maak: omdat je andere mensen iets unieks en wonderlijks kunt geven.
Overigens zijn het allebei relatief grote Hollywood-films die ik beter vond dan alle verantwoorde shit die ik op het filmfestival zag. (Ja, ‘Juno’ draaide ook op het IFFR, maar viel daar eigenlijk uit de toon in z’n toegankelijkheid.)
‘Cloverfield’
Een adrenalinerush van anderhalf uur. ‘Godzilla’, maar dan uit de hand geschoten, in New York, met echo’s van 11 september voor extra relevantie. Waar je gewend bent na de aanvang van de ramp naar een veilige regeringsbunker over te schakelen, waar de president van Amerika tobt over hoe hij de planeet gaat redden, blijf je dit keer bij de helden. Bén je de camcorder van een van hen. Met als gevolg dat je op het laatst nog steeds niet precies weet wat er nou aan de hand is. Ik vond ’m tof en had het idee dat ik iets meemaakte wat ik nog niet eerder had meegemaakt.

‘Juno’
Charmant as hell. Ongebruikelijk. Hartverwarmend. ‘Meisje van 16 wordt zwanger’, maar zonder het drama dat je zou verwachten. Zoals geloof ik ‘NRC Next’ schreef is dit een film van oplossingen in plaats van problemen. En dat die oplossingen vaak wat onorthodox zijn, maakt de boel extra vet. Ik ben vooral fan van Juno’s ouders, onder andere door de dialoog die volgt na dochterliefs zwangerschapsaankondiging. Vader: “Als ik die jongen tegenkom, schop ik ‘m in z’n noten!” Moeder: “Ach, je snapt toch ook wel dat het niet zijn idee is geweest?” Waarna vader schoorvoetend toegeeft.

De filmfestivaloogst van 2008
In navolging van vorig jaar een klein verslag van mijn bezoek aan het Rotterdams filmfestival vorige week.

Dag één (vrijdag)
- ‘Naissance des Pieuvres’ – mijn favoriete film die ik op het festival heb gezien. How’s that voor de eerste. Over het seksuele ontluiken van synchroonzwemmeisjes, zoals het geloof ik mooi werd omschreven in het programma. Extra interessant (voor mij) omdat er parallellen zijn met mijn boek (het seksuele ontluiken, niet het synchroonzwemmen). Alhoewel: momenteel lijkt bijna alles verwant aan mijn schrijverij. Mooie discoscènes ook. (En mooie filmposter, zie onderaan dit stukje.) Vijf van de vijf.
- ‘This World of Ours’ – werd aangekondigd als “Clockwork Orange op zijn Japans”. Ik ben er nog niet uit of dat nou disrespectvol is voor ‘A Clockwork Orange’ of voor Japan. In ieder geval een irritante, slecht gemaakte film met een hoofdrolspeler die participeert in een groepsverkrachting en daar de rest van de film zielig over doet. Vooral omdat hij nu “nooit meer een goede baan zal krijgen”. Niet zo tergend vervelend als ‘Container’ vorig jaar, toch één van de vijf punten. Verder was het festival dit jaar eigenlijk kutfilmvrij; van de rest die ik zag waren zelfs de matige exemplaren beslist het bekijken waard.
Dag twee (zaterdag)
- ‘Flower in the Pocket’ – twee jongetjes, hun vader en een hondje in Maleisië. Won een Tiger Award, maar ik vond ‘m niet helemaal overtuigen. Zo’n film die een aardig beeld schept van een situatie, en waarvan je denkt: knap dat die jongetjes zo goed acteren. Maar wat is er nou helemaal veranderd tijdens de film? Twee van de vijf.
- ‘The Mourning Forest’ – mooie, rustige film over het rouwproces van een oude man en zijn verpleegster. Speelt zich af in een bos. Vandaar de titel. De eerste helft is grappig en zorgt ervoor dat de emoties in de tweede helft harder aankomen. Vier van de vijf.
Dag drie (maandag)
- ‘Fear(s) of the Dark’ – animatiecompilatie rond het thema angst. Allemaal enigszins gestileerd en geheel in zwart-wit. Met name de drie langere segmenten vond ik erg geslaagd. De abstracte interludes met vage, quasi-intellectuele teksten deden me weinig. Vier van de vijf.
- ‘Dai Nipponjin’ – nepdocumentaire over de superheld Big Man Japan, die niet meer zo populair is als vroeger. En gescheiden. Met een dochter die niets van hem wil weten. Als hij wordt opgeroepen, zwelt hij op tot formaat Godzilla om het op te nemen tegen bizarre monsters. Erg grappig. Bij het laatste segment, waarin de film ineens schakelt van computerbeelden naar een ‘Power Rangers’-achtige set met foute kostuums, raakte iemand voorin de zaal in een permanente lachstuip. Vier van de vijf.
Dag vier (vrijdag)
- ‘Appleseed: Ex Machina’ – strak ogende 3D-anime rond een toekomst waarin mensen samenleven met cyborgs en bioroids, gekloonde mensen zonder emoties. Maar naast mooi is de film ook emotieloos. Waardoor het nooit echt spannend wordt. Drie van de vijf.
- ‘Persepolis’ – winnaar van de publieksprijs en een of andere IFFR-jongerenprijs. En inderdaad erg goed. Autobiografisch verhaal over opgroeien in Iran, als vrouw. Toch gaf ik vier van de vijf punten, en niet vijf van de vijf. Omdat ik niet alles helemaal vond werken en de tweede, trage, tragische helft niet zo sterk vond als het vlotte, grappige eerste deel. Of misschien waren mijn verwachtingen te hoog na al die extreem positieve reacties. Met speciale vermelding voor een van de leukste film-oma’s aller tijden.
- ‘The Unseeable’ – Thaise spookhuishorror. Om de laatste trein naar Utrecht te halen miste ik de ontknoping, die ik al wel een beetje had zien aankomen. Zo maakte ik op uit het verslag van vrienden achteraf. Een ontknoping die er misschien iets meer van maakte dan een clichématige griezelfilm vol spannende muziek en schrikeffecten, maar wonderwel zonder enige ‘blood and gore’. Twee van de vijf.
Dag vijf (zaterdag)
- ‘The King of Ping Pong’ – tragikomedie over een dikke puber in pittoresk, besneeuwd Noord-Zweden. Bleef lang hangen op het middenstuk, waar snel duidelijk is dat het broertje van de hoofdrolspeler van een andere vader is, en dat dit tot een confrontatie gaat komen. En dan maar wachten. Desondanks een geslaagde film. Mijn favoriete segment is een interactie met het publiek. Dikke puber Rille gooit met vriendinnetje Anja lege flessen uit de auto van zijn alcoholistische vader, een ravijn in. Als ze klaar zijn, pakt Anja een fles waar nog flink wat wodka in zit. En schroeft hem open. Jongen achter mij: “Ja, joepie!” Vervolgens giet Anja hem leeg. Jongen: “Ah, jammer.” Vier van de vijf.
- ‘Le Voyage du Ballon Rouge’ – bewerking van een korte film uit 1956, waarin de inspiratiebron nauwelijks te herkennen is. Speelt zich af in Parijs, met Juliette Binoche in een ijzersterke hoofdrol, maar is geregisseerd door een Taiwanees. Wat resulteert in een ontzettend trage film, waarin je alles simpelweg te zien krijgt zoals het gebeurt. Daarvoor moet je in de stemming zijn. Aan het begin viel ik in slaap, maar toen ik wakker werd, kwam ik op magische wijze in de perfecte ontspannen flow om van deze film te genieten. Als een kabbelend beekje of een zorgeloze zondagmiddag. Na afloop had ik zin om naar Parijs te gaan. Vijf van de vijf.
- ‘Fantastic Parasuicides’ – “zelfmoordverhalen voor bij het haardvuur” volgens het programma. In mijn woorden: maffe, meestal vermakelijke Zuid-Koreaanse compilatie van drie korte films door verschillende jonge regisseurs, rond het thema zelfmoord. Balanceerde af en toe op het randje van de knulligheid, waardoor het een beetje aanvoelde als een studieproject. Drie van de vijf.

Grappig: doordat Amerikaanse film-, tv- en radioschrijvers in staking zijn, wordt het aanbod in de traditionele media steeds kariger. Gevolg: kijkers wenden zich massaal tot online videosites. En laat dat nu net zijn waar de schrijvers ook wat mee willen gaan verdienen. ↵
George Lucas en het gedoetaboe
Ideeën verzinnen is makkelijk. Iedereen kan het en het is leuk om te doen. Maar bij het omzetten van een idee in een product komt veel gedoe kijken.
In het geval van een roman moet je bijvoorbeeld plots uitdokteren, personages ontwikkelen, dialogen in je verbeelding plaats laten vinden, woorden schrijven, zinnen en alinea’s redigeren. Handelingen die an sich best aangenaam zijn. Maar door de mate waarin het móét om het einddoel te bereiken, verzuren ze de pret. Zeker op de momenten waarop je beseft hoeveel er nog moet gebeuren.
En dan heb ik het nog maar over schrijven – bij het maken van een game of een film komt vele malen meer gedoe kijken.
Het valt me op dat je de grote namen niet vaak hoort klagen over gedoe. Kennelijk is het toch een soort taboe. George Lucas, bedenker van ‘Star Wars’ en ‘Indiana Jones’ en daardoor miljardair, is hierop een uitzondering.
Ter ere van de nieuwe Indiana Jones-film, die 22 mei verschijnt, stond er in het Amerikaanse tijdschrift ‘Vanity Fair’ een uitgebreid artikel. Op de site zijn de volledige interviews te lezen die de auteur had met regisseur Steven Spielberg en dus met Lucas, de producent van de reeks. In dit interview wordt hij wederom getypeerd als iemand die gebukt gaat onder gedoe:
“[…] he has complained about how much he dislikes writing scripts, directing movies, and serving as the head of Lucasfilm Ltd. – which are his three main professional activities.”
Het hele interview is trouwens de moeite waard. Lucas vertelt uitvoerig en openhartig over onderwerpen als zijn verwachtingen voor de nieuwe Indy-film wat betreft de kritieken (negatief) en de opbrengsten (positief).
Erg interessant vind ik de manier waarop Lucas de formule van de reeks ontleedt, wellicht om te zorgen dat de critici het niet meer hoeven te doen. Of althans om te zorgen dat, als ze het toch doen, dit een beetje suf overkomt:
“We start the movie with the end of another movie, the end of an adventure, and then he goes back to the school, and we have him in school, and he starts a new adventure. That’s always consistent in all the movies. And usually the beginning teaser is around 15 minutes, give or take 5 minutes, and in that, it goes pretty fast. Then it sits around for a while. You know, it’ll probably sit around for half an hour, with nothing happening. Even in the first Indiana Jones, it takes quite a while to get to the fistfight in the Tibetan bar. And then, after that, you sit around for a long time – it’s mostly a mystery from then on, until the snake sequence. Because there’s a lot of energy, and because it starts off so fast, you’re kind of trying to catch up with it, and then, when it relaxes, you’re sort of saying, ‘Oh, thank goodness, I can catch up now and figure out what’s going on.’ And then we sort of kick in this mystery. There’s always a mystery of something or other. And so that usually takes over, and it’s interspersed with action set pieces as the story demands it.”
Ik hou van de uitdrukking dat clichés niet voor niets bestaan – in het geval van films omdat ze wérken. We zitten simpel in elkaar als het gaat om slaap, voedsel, seks en verhalen; tot op zekere hoogte geloof ik daarom in het toepassen van formules om een boek (of wat dan ook) beter te maken voor het publiek. Helaas is het niet makkelijk om een formule zo toe te passen dat het eindresultaat er beter door wordt. Daar komt heel wat gedoe bij kijken.
Ten slotte een mooi citaat over het talent van Steven Spielberg, dat overigens ook te lezen valt als een gebrek aan talent bij Lucas zelf:
“We joke that he shoots the movie and I shoot around the movie. When I shoot, I shoot all kinds of footage, I’ll shoot everything I can, and then get it in the editing room and make a movie out of it. He makes a movie before he shoots it, so he knows exactly what he’s doing. That’s very hard to do. That really is genius. He can see the movie in his head and he can articulate it and make it happen just the way he sees it, and it turns out perfect.”

George Lucas, Harrison Ford en Steven Spielberg op de set van de nieuwe Indiana Jones-film. Foto door Annie Leibovitz.
Het oude en het nieuwe pak Brinta
Oké, het heeft weinig te maken met mijn schrijverij en ook niet met de kerstgedachte die je in deze tijd van het jaar misschien zou verwachten, maar: moet je zien, de Brinta is vernieuwd!

Een paar opmerkingen:
- Doordat de cirkel is vervangen met een vlotte swoosh en de witte glow is teruggedraaid, is het logo simpeler maar sprekender. Ik snap alleen het accent op de i niet. Brienta?
- Er is meer tekst, al is deze nu op één plek geconcentreerd en strakker geformuleerd. Highlights markeren de belangrijkste punten en met de opmerking over vitamine B en ijzer is een nieuw stukje info toegevoegd. Alleen jammer is dat er geen duidelijke slogan meer is, al was de oude (“Energie uit de volle tarwekorrel”) drie keer kut en heeft een product als dit waarschijnlijk geen slogan nodig.
- Het glas sinaasappelsap en de kiwi zijn verdwenen, wat ik goed vind. De suggestie van ‘gezond’ oproepen met wat willekeurige clip art is toch een vorm van liegen. Bovendien kan het voor misverstanden zorgen; sommige mensen dachten hierdoor wellicht dat Brinta een fruithapje was in plaats van kartonpulp met melk.
- Het ouderwetse servies heeft plaatsgemaakt voor een soort ovenschaaltje. Ook is de afbeelding van de Brinta realistischer gemaakt, inclusief grovere structuur en damp. Dit lijkt me goed, omdat het beter communiceert wat het nou eigenlijk is, dat Brinta. Trouwens, is de lepel zo groot of is het ovenschaaltje zo klein?
- De lucht is helderder blauw gemaakt. Dat geeft me een prettig gevoel van binnen. Verder mist de nieuwe verpakking wat kleur en is met name door het formaat en de positie van het nieuwe papbakje de compositie minder sterk.
- Ten slotte, subtiel: op de achtergrond zijn silhouetten van joggende mensen toegevoegd. Bij de volgende restyle bepaal ik wel of ik dat ook een vorm van liegen vind.
