Ninja Gimmick Girl


Ik weet niet meer wanneer ik voor het eerst het idee had om een boek te schrijven met de titel ‘Ninja Gimmick Girl’. Lang geleden, vermoed ik. De versie waar ik drie, vier jaar geleden aan werkte, het verhaal van een explosieve gamebeurs en een inhalige fantasiewereld, is in ieder geval afgestoft en nieuw leven ingeblazen. Niet in de vorm van een nieuwe roman, maar als feuilleton in twaalf delen, dat vanaf deze maand in het gametijdschrift Officieel PlayStation Magazine verschijnt. Op pagina 24, met illustratie van Gauthier de Booseré. Een uniek experiment, als je het mij vraagt.
Ik ben van de iteratieve generatie
Ik weet nog dat ik heel lang geen horloge had, en geen mobiele telefoon, en dat ik op de bonnefooi op de trein stapte, zonder te weten hoe lang die er precies over zou doen. Meestal arriveerde ik dan ongeveer op tijd bij mijn afspraak, soms ook niet. Eigenlijk had ik best wel een reputatie van te laat komen in die tijd.
Zo ben ik ook begonnen met mijn bedrijf. Ik deed klussen, en stuurde soms facturen, en meestal was mijn saldo positief. Nou ja, het ging eigenlijk best wel eens mis. Vooral de belastingdienst trok bij mij aan het kortste eind. En mijn vader moest altijd de deur opendoen als de deurwaarder kwam, want ik zat ergens in een trein, zonder enig benul of ik nog kans maakte om mijn afspraak te halen.
Mijn bruiloft was eigenlijk niet zo’n succes, vond ik zelf. Ik wil het nog wel eens over doen, en dan op zo’n manier dat ik er persoonlijk plezier aan beleef.
Het renoveren van mijn huis is voor een eerste keer best goed gelukt, maar eigenlijk moeten we het gewoon nog eens doen. Hoe kun je iets van te voren plannen als je het nog nooit hebt gedaan?
Tegen de tijd dat mijn nieuwe boek af is, heb ik het drie keer in zijn geheel geschreven en honderd keer bedacht hoe ik het zou moeten schrijven.
Ik ben van de iteratieve generatie. Niet alleen vind ik dat je dingen die je graag wilt doen moet blijven proberen tot ze eindelijk eens lukken, ik ben ook bang dat ik niet anders kan dan ploeteren tot ik langzaam, tergend langzaam, ergens toe kom.
En nu maar hopen dat de rest van de wereld geduld met mij heeft.
Elke dinsdag schrijf ik een column voor het Lowlands-blog. Officieel moet die gaan over de wetenschap. Op dat gebied ben ik namelijk een enorm helder licht. Maar deze week heb ik stiekem een stukje over Haruki Murakami gepost. Check it out. ↵
Schrijfadvies van scenarist John August: “Besteed een dag per week aan het ontleden van goede films. Ga te werk zoals een monteur een ruimteschip uit elkaar zou halen. Ontdek wat de verschillende stukjes doen. Stel over elke scène vragen als: wat verwacht het publiek? Wat wil het personage? Wat zou er zijn gebeurd als de scène was geknipt? Of verplaatst?†Dit kun je natuurlijk ook doen met boeken. Toch lijkt het me voor romanschrijvers nuttiger om de structuur van films te bestuderen. ↵
Dat zijn nog eens mooie boekomslagen: die van Penguins nieuwe James Bond-pockets. Zo mooi dat ik niet kan kiezen welke ik het mooiste vind. Ik zou ze er bijna van gaan lezen. ↵
Zorgen videogames niet voor extreem geweld, dan zijn het wel gewelddadige schrijfsels. Zucht. ↵
Eén ding waarover ik me vandaag verwonderd heb: waarom ‘Fitna’ nog steeds de ‘film’ van Wilders genoemd wordt, terwijl het met 16 minuten toch echt niet meer dan een ‘filmpje’ is. ↵
In juni verschijnt in Japan ‘Ponyo on a Cliff’, de nieuwe tekenfilm van Hayao Miyazaki. Hij ziet er weer fantastisch uit, kleiner dan ‘Howl’s Moving Castle’ en daardoor hopelijk net zo magisch als ‘Spirited Away’. De magie van de treinreis in die film zou ik graag in mijn boeken willen vangen. ↵
Mooie observatie over ondernemers bij Y Combinator, een incubatorbedrijf: “Strange as this sounds, they seem both more worried and happier at the same time. Which is exactly how I’d describe the way lions seem in the wild.†Tegelijk bezorgder en gelukkiger, als wilde leeuwen. Zo’n zin waar ik eigenlijk iets mee zou moeten doen. ↵
Op 11 april verschijnt ‘Bastaardsuiker’, het nieuwe boek van Arjen Lubach. Net als voor zijn debuutroman heeft hij er een prachtige trailer voor gemaakt. Mooi fenomeen vind ik dat, boektrailers. Zo een wil ik er straks ook wel. ↵
Het zelfportret van Kubrick en van mij
Dit is een bekend zelfportret van Stanley Kubrick, uit de tijd dat hij fotografeerde voor het Amerikaanse tijdschrift ‘Look’:

En dit is de foto die ik als zelfportret gebruik op deze website. De gelijkenis viel me pas kort geleden op:

Bram Ruiter is 19 en filmmaker. Ik ken hem omdat een van zijn droomprojecten het verfilmen van mijn debuut ‘Toiletten’ is. Laat maar zien, denk ik dan. Ik heb goede hoop dat het tof wordt als hij het van de grond krijgt – zijn korte films zijn technisch goed en hebben een aangenaam sfeertje. ↵
Niels, hoe gaat het met je boek? Aflevering 1
Laatst sprak ik Gustaaf Peek, die net zijn tweede boek, ‘Dover’, heeft uitgebracht. Peek vertelde me dat hij duizend woorden per dag schrijft. Niet gemiddeld, maar plichtmatig. Hij zet zijn woordenteller erop gelijk. En wat er ook gebeurt, of het stormt, of er visite is, die duizend woorden zullen er komen. (Er gaat een gerucht dat hij te laat was op zijn eigen boekpresentatie, omdat hij zijn duizend woorden nog niet had gehaald.)
Wel is het zo dat hij een boel van zijn woorden dezelfde dag nog schrapt, waarschijnlijk met een filosofie als: ze zijn niet allemaal even briljant, maar er moeten er haast wel goeie tussen zitten. (En dat is ook zo, gezien de reacties op zijn boeken.)
Iets eerder sprak ik Miquel Bulnes. Momenteel werkt Bulnes — als mijn informatie juist is — in Spanje aan zijn vierde roman. Hij is iets conservatiever dan Peek en mikt op vijfhonderd woorden per dag. Meestal lukt dat. En dan te bedenken dat het bij hem wel een netto-quota is. Zelfs als hij bestaande tekst terugleest en daarin stukken schrapt, moet zijn gehele document aan het eind van de dag vijfhonderd woorden zijn gegroeid.
Als ik zulke verhalen hoor, denk ik: wat knap, wat gedisciplineerd. En ik spiegel ze aan mezelf.
Want wat heb ik de afgelopen maanden nou bij elkaar gesprokkeld? Ik geloof niet dat ik het wil weten. Het kan niet meer zijn dan een paar duizend woorden. Het lukt me nog steeds niet om veel tijd vrij te maken en als ik dan ga zitten voor mijn nieuwe boek, ben ik vooral aan het puzzelen. Dat is wat ik al een tijdje zeg als mensen vragen hoe het met mijn boek gaat: “Het wordt wat. Maar het is nogal een puzzel.”
Beknopte geschiedenis
Ik weet niet eens meer precies wanneer ik ermee begonnen ben. Toen ik in de laatste maanden van 2005 op een zonnig eiland bij Honduras het laatste ruwe schaafwerk aan ‘Sneeuwdorp’ verrichtte, schreef ik ook wat hoofdstukken voor een verhaal dat ‘Ninja Gimmick Girl’ heette. Paul Sebes, die nog steeds mijn literair agent is, las het opzetje en zei zoiets als: “Grappig, maar wanneer ga je nou een écht boek schrijven?” Dat raakte een gevoelige snaar. Ninja Gimmick Girl verdween in de la en ik ging nadenken over échte boeken.
In de loop van 2005 moeten er een aantal dingen samen zijn gekomen, want in mei 2006, toen ik vooraf aan de E3-videogamebeurs in New York was, legde ik de laatste hand aan een opzetje voor een nieuw verhaal, dat toen ‘De verdwijners’ heette. Het was een redelijk complete draft van het eerste deel uit een soort drieluik – 20.000 woorden, 8 hoofdstukken. Althans, ik dácht dat het redelijk compleet was. Wederom was het Paul die me motiveerde om niet te snel tevreden te zijn. Hij suggereerde dat ik een aantal dingen beter uitwerkte. Dan kon het, vermoedde hij, heel bijzonder worden.
In de praktijk kwam ‘dingen beter uitwerken’ neer op ‘terug naar de tekentafel’. Mijn plot bleef hetzelfde, maar de vertelstructuur veranderde. Door de helft van het boek aan één plaats van handeling te koppelen, kon ik de andere helft nog veel breder en wilder maken. Waarbij ik besefte dat voor iedere graad die mijn boek breder en wilder werd, er een element bij kwam dat minstens goed, liefst geweldig uitgewerkt moest worden, wilde de constructie overeind blijven.
(Ik geloof zelfs dat de constructie instabieler wordt naarmate er meer elementen aan worden toegevoegd. Kortom, hoe breder en wilder de scope, hoe steviger ieder afzonderlijk element moet zijn.)
Toen kwamen werk en leven tussendoor: ik ging naar Frankfurt en Kyoto om voor Nintendo te werken en ik trouwde. Maar in maart 2007 leverde ik een nieuwe opzet in, de 14.000 eerste woorden, 8 eerste hoofdstukken van wat ik ‘Op grote hoogte’ had genoemd (de titel is inmiddels alweer veranderd). Dit keer ging het zowel naar Paul als naar mijn redacteur bij Querido, Patricia, die tot op dat punt nog niets had gelezen. De feedback was eigenlijk heel simpel: oké, ga het maar schrijven.
Toen kochten we een huis, waar we een halfjaar intensief aan werkten. En daarna gebeurde het: ik probeerde mijn boek “maar te gaan schrijven”, zoals mijn begeleiders me hadden gevraagd… maar het lukte niet.
Puzzelen
Ik moet erbij vertellen dat ik al die jaren, ondanks outsourceprojecten, huwelijken, verre reizen, herfstdepressies, toffe tv-series en tijdelijke game-obsessies waardoor ik mijn boekdocument soms maanden achtereen onaangeroerd liet, wel continu bleef nadenken over mijn verhaal. Ik had altijd opschrijfboekjes en anders wel achterkanten-van-enveloppen bij me. In de wachtkamer bij de dokter, op de fiets, op weg naar de koffiezaak – overal dacht ik na over de structuur en logica van mijn verhaal.
Met als gevolg een joekel van een berg aan ideeën die allemaal min of meer bij elkaar hoorden. Min of meer, want al gaande ontdekte ik dat de boel vaak net niet op elkaar aansloot. Kortom, de logica klopte bijna, maar nog niet helemaal.
Het puzzelen begon. Want dat is wat ik eind vorig jaar ben gaan doen: alle ideeën, fragmenten, halve hoofdstukken en andere hersenspinsels een plek geven in een samenhangend geheel – in het outlineprogramma OmniOutliner, voor wie het weten wil. Ik moest mijn ingewikkelde structuur afbreken, met de intentie om die later weer op te bouwen. Een pittige, maar bevredigende klus, omdat ideeën lijken te vermenigvuldigen als je ze bij elkaar zet. Als een soort chemische reactie. Gaten in mijn verhaal vulden zich welhaast automatisch op, en op punten waar ik meende uit twee opties te moeten kiezen, deed zich op magische wijze een derde, nog betere optie voor.
Er was ook een keerzijde: door mijn verhaal in kaart te brengen, snapte ik veel beter waar ik in ‘s hemelsnaam aan begonnen was. Ik had stilletjes gehoopt dat ik, zeg, de helft van het boek al wel geschreven had. Maar het was hoogstens een kwart. Bovendien was niets van wat ik al op papier had goed genoeg. Ik zou het intensief moeten herschrijven. Hoe lang ging ik daar wel niet over doen? En ik was er al jaren mee bezig! Deprimerend en ontmoedigend.
Langzaam, heel langzaam kom ik op het punt waar ik gewoon weer kan gaan schrijven. Ik heb een aantal belangrijke lijnen uit het boek in chronologische volgorde gezet en daar duik ik nu een voor een in. Het valt nog steeds niet mee – de verleiding is groot om op puzzelniveau te blijven hangen. Maar het is essentieel dat er op tekstniveau werk wordt verzet, omdat het boek anders nooit afkomt.
Als de sterren gunstig staan en het lukt, dan spit ik mijn tekst zorgvuldig uit: bestaande stukken herschrijven, onderbrekende delen invullen, genoteerde ideeën samenvlechten tot een vloeiend geheel. Ik vind het heerlijk om zo bezig te zijn, maar het tempo valt tegen. Langzaam maar zeker ploeter ik door mijn lijn heen. Ik probeer niet te denken aan de andere lijnen. Of aan hoe de lijn die ik voor me heb in het geheel gaat passen. Dat is van later zorg.
(Dit blogstukje bestaat uit 1197 woorden, inclusief titel. En ik schrap er geen een.)
Dit lijkt me een puik plan: na je dood alles wat je gemaakt en bedacht hebt vrij beschikbaar stellen. Als ze mijn ingewanden mogen hebben, waarom dan niet mijn hersenspinsels? ↵
Filminspiratie: Cloverfield en Juno
Hoewel ik net weer eens een inspirerend boek heb gelezen (‘Slaughterhouse-Five’ van Kurt Vonnegut) en vervolgens, geloof ik, in nóg een inspirerend boek ben begonnen (‘Kiss of the Spider Woman’ van Manuel Puig), put ik normaliter meer uit films dan uit literatuur. De afgelopen week zag ik twee totaal verschillende films die me beide herinnerden aan waarom ik dingen maak: omdat je andere mensen iets unieks en wonderlijks kunt geven.
Overigens zijn het allebei relatief grote Hollywood-films die ik beter vond dan alle verantwoorde shit die ik op het filmfestival zag. (Ja, ‘Juno’ draaide ook op het IFFR, maar viel daar eigenlijk uit de toon in z’n toegankelijkheid.)
‘Cloverfield’
Een adrenalinerush van anderhalf uur. ‘Godzilla’, maar dan uit de hand geschoten, in New York, met echo’s van 11 september voor extra relevantie. Waar je gewend bent na de aanvang van de ramp naar een veilige regeringsbunker over te schakelen, waar de president van Amerika tobt over hoe hij de planeet gaat redden, blijf je dit keer bij de helden. Bén je de camcorder van een van hen. Met als gevolg dat je op het laatst nog steeds niet precies weet wat er nou aan de hand is. Ik vond ’m tof en had het idee dat ik iets meemaakte wat ik nog niet eerder had meegemaakt.

‘Juno’
Charmant as hell. Ongebruikelijk. Hartverwarmend. ‘Meisje van 16 wordt zwanger’, maar zonder het drama dat je zou verwachten. Zoals geloof ik ‘NRC Next’ schreef is dit een film van oplossingen in plaats van problemen. En dat die oplossingen vaak wat onorthodox zijn, maakt de boel extra vet. Ik ben vooral fan van Juno’s ouders, onder andere door de dialoog die volgt na dochterliefs zwangerschapsaankondiging. Vader: “Als ik die jongen tegenkom, schop ik ‘m in z’n noten!” Moeder: “Ach, je snapt toch ook wel dat het niet zijn idee is geweest?” Waarna vader schoorvoetend toegeeft.

