Niels, hoe gaat het met je boek? Aflevering 1

Laatst sprak ik “Gustaaf Peek”:http://www.uitgeverijcontact.nl/index.php?id=402, die net zijn tweede boek, ‘Dover’, heeft uitgebracht. Peek vertelde me dat hij duizend woorden per dag schrijft. Niet gemiddeld, maar plichtmatig. Hij zet zijn woordenteller erop gelijk. En wat er ook gebeurt, of het stormt, of er visite is, die duizend woorden zullen er komen. (Er gaat een gerucht dat hij te laat was op zijn eigen boekpresentatie, omdat hij zijn duizend woorden nog niet had gehaald.)

Wel is het zo dat hij een boel van zijn woorden dezelfde dag nog schrapt, waarschijnlijk met een filosofie als: ze zijn niet allemaal even briljant, maar er moeten er haast wel goeie tussen zitten. (En dat is ook zo, gezien de reacties op zijn boeken.)

Iets eerder sprak ik “Miquel Bulnes”:http://www.miquelbulnes.com/. Momenteel werkt Bulnes — als mijn informatie juist is — in Spanje aan zijn vierde roman. Hij is iets conservatiever dan Peek en mikt op vijfhonderd woorden per dag. Meestal lukt dat. En dan te bedenken dat het bij hem wel een netto-quota is. Zelfs als hij bestaande tekst terugleest en daarin stukken schrapt, moet zijn gehele document aan het eind van de dag vijfhonderd woorden zijn gegroeid.

Als ik zulke verhalen hoor, denk ik: wat knap, wat gedisciplineerd. En ik spiegel ze aan mezelf.

Want wat heb ik de afgelopen maanden nou bij elkaar gesprokkeld? Ik geloof niet dat ik het wil weten. Het kan niet meer zijn dan een paar duizend woorden. Het lukt me nog steeds niet om veel tijd vrij te maken en als ik dan ga zitten voor mijn nieuwe boek, ben ik vooral aan het puzzelen. Dat is wat ik al een tijdje zeg als mensen vragen hoe het met mijn boek gaat: “Het wordt wat. Maar het is nogal een puzzel.”

h2. Beknopte geschiedenis

Ik weet niet eens meer precies wanneer ik ermee begonnen ben. Toen ik in de laatste maanden van 2005 op een zonnig eiland bij Honduras het laatste ruwe schaafwerk aan ‘Sneeuwdorp’ verrichtte, schreef ik ook wat hoofdstukken voor een verhaal dat ‘Ninja Gimmick Girl’ heette. Paul Sebes, die nog steeds mijn literair agent is, las het opzetje en zei zoiets als: “Grappig, maar wanneer ga je nou een écht boek schrijven?” Dat raakte een gevoelige snaar. Ninja Gimmick Girl verdween in de la en ik ging nadenken over échte boeken.

In de loop van 2005 moeten er een aantal dingen samen zijn gekomen, want in mei 2006, toen ik vooraf aan de E3-videogamebeurs in New York was, legde ik de laatste hand aan een opzetje voor een nieuw verhaal, dat toen ‘De verdwijners’ heette. Het was een redelijk complete draft van het eerste deel uit een soort drieluik – 20.000 woorden, 8 hoofdstukken. Althans, ik dácht dat het redelijk compleet was. Wederom was het Paul die me motiveerde om niet te snel tevreden te zijn. Hij suggereerde dat ik een aantal dingen beter uitwerkte. Dan kon het, vermoedde hij, heel bijzonder worden.

In de praktijk kwam ‘dingen beter uitwerken’ neer op ‘terug naar de tekentafel’. Mijn plot bleef hetzelfde, maar de vertelstructuur veranderde. Door de helft van het boek aan één plaats van handeling te koppelen, kon ik de andere helft nog veel breder en wilder maken. Waarbij ik besefte dat voor iedere graad die mijn boek breder en wilder werd, er een element bij kwam dat minstens goed, liefst geweldig uitgewerkt moest worden, wilde de constructie overeind blijven.

(Ik geloof zelfs dat de constructie instabieler wordt naarmate er meer elementen aan worden toegevoegd. Kortom, hoe breder en wilder de scope, hoe steviger ieder afzonderlijk element moet zijn.)

Toen kwamen werk en leven tussendoor: ik ging naar Frankfurt en Kyoto om voor Nintendo te werken en ik trouwde. Maar in maart 2007 leverde ik een nieuwe opzet in, de 14.000 eerste woorden, 8 eerste hoofdstukken van wat ik ‘Op grote hoogte’ had genoemd (de titel is inmiddels alweer veranderd). Dit keer ging het zowel naar Paul als naar mijn redacteur bij Querido, Patricia, die tot op dat punt nog niets had gelezen. De feedback was eigenlijk heel simpel: oké, ga het maar schrijven.

Toen kochten we een huis, waar we een halfjaar intensief aan werkten. En daarna gebeurde het: ik probeerde mijn boek “maar te gaan schrijven”, zoals mijn begeleiders me hadden gevraagd… maar het lukte niet.

h2. Puzzelen

Ik moet erbij vertellen dat ik al die jaren, ondanks outsourceprojecten, huwelijken, verre reizen, herfstdepressies, toffe tv-series en tijdelijke game-obsessies waardoor ik mijn boekdocument soms maanden achtereen onaangeroerd liet, wel continu bleef nadenken over mijn verhaal. Ik had altijd opschrijfboekjes en anders wel achterkanten-van-enveloppen bij me. In de wachtkamer bij de dokter, op de fiets, op weg naar de koffiezaak – overal dacht ik na over de structuur en logica van mijn verhaal.

Met als gevolg een joekel van een berg aan ideeën die allemaal min of meer bij elkaar hoorden. Min of meer, want al gaande ontdekte ik dat de boel vaak net niet op elkaar aansloot. Kortom, de logica klopte bijna, maar nog niet helemaal.

Het puzzelen begon. Want dat is wat ik eind vorig jaar ben gaan doen: alle ideeën, fragmenten, halve hoofdstukken en andere hersenspinsels een plek geven in een samenhangend geheel – in het outlineprogramma OmniOutliner, voor wie het weten wil. Ik moest mijn ingewikkelde structuur afbreken, met de intentie om die later weer op te bouwen. Een pittige, maar bevredigende klus, omdat ideeën lijken te vermenigvuldigen als je ze bij elkaar zet. Als een soort chemische reactie. Gaten in mijn verhaal vulden zich welhaast automatisch op, en op punten waar ik meende uit twee opties te moeten kiezen, deed zich op magische wijze een derde, nog betere optie voor.

Er was ook een keerzijde: door mijn verhaal in kaart te brengen, snapte ik veel beter waar ik in ’s hemelsnaam aan begonnen was. Ik had stilletjes gehoopt dat ik, zeg, de helft van het boek al wel geschreven had. Maar het was hoogstens een kwart. Bovendien was niets van wat ik al op papier had goed genoeg. Ik zou het intensief moeten herschrijven. Hoe lang ging ik daar wel niet over doen? En ik was er al jaren mee bezig! Deprimerend en ontmoedigend.

Langzaam, heel langzaam kom ik op het punt waar ik gewoon weer kan gaan schrijven. Ik heb een aantal belangrijke lijnen uit het boek in chronologische volgorde gezet en daar duik ik nu een voor een in. Het valt nog steeds niet mee – de verleiding is groot om op puzzelniveau te blijven hangen. Maar het is essentieel dat er op tekstniveau werk wordt verzet, omdat het boek anders nooit afkomt.

Als de sterren gunstig staan en het lukt, dan spit ik mijn tekst zorgvuldig uit: bestaande stukken herschrijven, onderbrekende delen invullen, genoteerde ideeën samenvlechten tot een vloeiend geheel. Ik vind het heerlijk om zo bezig te zijn, maar het tempo valt tegen. Langzaam maar zeker ploeter ik door mijn lijn heen. Ik probeer niet te denken aan de andere lijnen. Of aan hoe de lijn die ik voor me heb in het geheel gaat passen. Dat is van later zorg.

(Dit blogstukje bestaat uit 1197 woorden, inclusief titel. En ik schrap er geen een.)