Robert De Niro

Dik drie maanden is te lang om niet naar de kapper te gaan. Ik had haast een mat. Ik had bakkebaarden. Mijn kapsel kreeg Art Garfunkel-neigingen als ik ’t niet temde met een flinke klodder gel of wax.

Vandaag nam ik at long last weer eens plaats in de kapperstoel, geen moment te vroeg.

Ik vind het niet eng om naar de kapper te gaan. Toch zie ik er altijd een beetje tegen op. Omdat ik nooit weet wat ik moet zeggen.

“Hoe wil je het?” “Kort.” Lange stilte.

“Je hebt wel een droge hoofdhuid hè?” “Ja.” Lange stilte.

“Zo, er is alweer een flink stuk af.” “Dat scheelt.” Lange stilte.

Dit zou op zich niet zo erg zijn. Bij de tandarts houd je ook je mond. De huisarts geef je ook alleen antwoord na een directe vraag. Maar bij de kapper schijnt het gebruikelijk, nee, veréist te zijn om te ouwehoeren. Over koetjes, voetbal en de lotto praten. Ik zag het in de ogen van mijn kapster: “Shit, heb ik vandaag wéér de stille.” En een paar stoelen verder zat mijn lieve vriendin al 15 minuten vrolijk te kakelen.

Ik dacht snel terug aan het interview met Robert De Niro dat jaren geleden zo’n indruk op me maakte. De Niro, de beste acteur ooit, zei: “Ik zeg nooit veel. En als ik dan iets zeg, dan zorg ik dat het een nuttige opmerking is.”

Opgelucht liep ik naar buiten: een keurig gesnoeide hairdo en geen woord teveel gezegd.