Roestfiets

Toen ik voor het eerst bij haar thuis kwam, stond ik op het punt haar in te pikken, al wist ik dat toen nog niet helemaal. Ik trok mijn fiets voorzichtig door de gang, naar het binnenplaatsje achter het huis, en zette hem tegen de muur.

“Jij bent toch altijd heel stil?” zei ze toen ik een paar dagen later, ’s nachts, de trap op klom en haar fluisterend beloofde zo min mogelijk geluid te maken. We waren verliefd.

Het was in die tijd dat ze zei dat ik mijn fiets ook wel in het schuurtje mocht zetten. Er was ruimte genoeg, en dan hoefde-ie niet in de regen. Dat was vast niet goed voor zo’n metalen ding.

Ik deed het niet. Ik vond het schuurtje donker en eng. Mijn fiets bleef dakloos.

Toen ze op reis was, stond ik op een dag met mijn fiets langs de weg. Soms voelt het alsof mijn achterband lek is, en als ik er dan naar ga kijken, blijkt dat helemaal niet zo te zijn. Dan is het iets in de lucht of in mijn hoofd geweest. Over mijn fiets gebogen keek ik naar de velgen, de spaken, het slot, de ketting, en alles had de donkerrode kleur van roest.

Die middag nog liep ik het schuurtje in. Ik ontdekte dat het er merkwaardig rook, maar dat er verder weinig aan de hand was. Het was er niet erg donker en ook niet bijzonder eng. Toch veranderde er niets.

Nu is ze terug, en nog steeds zet ze haar fiets in de schuur, en ik de mijne in het binnenplaatsje tegen de muur, en klaagt zij over de geur van kattenpis, en loop ik stilletjes achter haar aan, de trap op, naar boven, elke dag.