Ronald Giphart

Voordat ik vanaf morgen met de trein naar achtereenvolgens Praag, Boedapest en Wenen reis wil ik nog even vertellen wat er vorige week gebeurde toen ik met de Utrechtse dichter Ingmar Heytze in een café zat te praten over schrijven en aanverwante zaken: Ronald Giphart kwam binnen.

En hij kwam niet alleen binnen, hij gaf Ingmar een hand, en daarna gaf-ie ook mij een hand, waarop ik zei “Niels”, en hij zei “Ronald”, en toen ging-ie naast me zitten. En vervolgens hebben we een gesprek gevoerd.

De bekende vragen gingen door mijn hoofd. Moet ik hem nu vertellen dat mijn zusje z’n grootste fan is? Moet ik nu zeggen dat ik hem goed vond voorlezen uit eigen werk toen ik hem zag op Lowlands vorig jaar? Moet ik nu zeggen dat ik maar één van zijn boeken gelezen heb en daar niet bijzonder van onder de indruk was, maar dat ik me met ‘Phileine’, de film, wel heb vermaakt?

Ronald Giphart bleek natúúrlijk een heel normale, vriendelijke meneer, waar je een prettig gesprek mee kunt voeren en die je misschien nog iets kan leren over het schrijverschap – grappig hoe zoiets bij beroemde mensen tóch een soort verrassing kan zijn, en grappig hoe je voordat je dat ontdekt tóch gaat zitten piekeren over de houding die je jezelf wilt geven.

Maar dat terzijde, ik ga op vakantie.