Schrik-effect

We zaten met z’n allen ‘Spider-Man 2’ te kijken, de bioscoopgangers, Anne en ik. Iedereen schrok toen Doc Ock plots het balkon opsprong nadat het een moment stil was geworden.

Na afloop ging ik naar de wc, de mooie film nog vers in mijn geheugen. Het mannentoilet in de Rembrandt is geen fijne plek, om ‘m te bereiken moet je verlaten trappen op en nauwe gangen door. De route is slecht verlicht. Overal zijn deuren waarvan je niet precies weet waarheen ze leiden.

Onderweg dacht ik: ze kunnen me hier pakken als ze willen. Ze kunnen me opwachten, een mes tegen mijn keel zetten en mijn iPod uit mijn tas prutsen. Ze kunnen mijn arm achter mijn rug draaien en de pincode van onze nieuwe gezamenlijke huishoudrekening opeisen. En niemand die het ziet: in de echte wereld is er geen Spider-Man om me te redden.

Ik stelde me voor hoe het zou zijn, hoe ik ze achterna zou rennen maar hoe ze sneller zouden zijn. Ik dacht aan de dames-wc en besloot dat die makkelijker bereikbaar was om verkrachtingen te voorkomen.

Ik urineerde en wachtte tot het ging gebeuren, maar er kwam niets. Ik knoopte mijn broek dicht en keek om me heen. Ik inspecteerde de ruimte: flets licht, vier urinoirs, vuile tegels, twee gewone wc’s. Nergens een beveiligingscamera. Geen alternatieve uitgangen. Ik keek naar mezelf in de spiegel en haalde een trillende hand door mijn haar. Ik kon geen kant op.

Toen gebeurde het: de deur opende, langzaam. Nu het toch zover was, kon ik het gevaar beter tegemoet treden. Dus ik pakte de klink en trok hem naar me toe. Ik voelde me dapper. Een martelaar.

Een kleine man met bril en scheiding in z’n haar keek me angstig aan. Hij schrok, ik zag hem opspringen. “Tja, na zo’n film,” verontschuldigde hij zich mompelend. Ik lachte zenuwachtig. Maar het was zoals mijn moeder zei, hij was banger geweest voor mij dan ik voor hem.