‘Sneeuwdorp’ voor dummies

Geen zin om naar de boekhandel te fietsen? Is heel zo’n boek je te dik? Of ben je gewoon benieuwd? Dan heb ik speciaal voor jou een samenvatting gemaakt van mijn nieuwe roman ‘Sneeuwdorp’ — een heel bijzondere, die bestaat uit de eerste en laatste flard van ieder hoofdstuk.

Wil je het boek toch gewoon zelf hebben? Vanaf vandaag zou het in veel winkels al verkrijgbaar moeten zijn.

De reis

  1. Dit is de winter. Er komt damp uit mijn mond als ik adem. Ik was met heel andere dingen bezig. Tot Mia.
  2. Vannacht droomde ik weer over haar. Het duurde uren, de droom was eindeloos. Ik spring niet voor de trein. Ik stap in.
  3. Mijn coupé is bijna leeg. Ik weet dat Mia er niet staat. Ik weet het zo goed dat ze zelfs afwezig is in mijn sciencefiction-fantasie.
  4. Je probeert je toekomst uit te stippelen en je gaat op weg naar Sneeuwdorp. En ik schrik van de gedachte, maar ineens vraag ik me af: is er sowieso wel iets wat ik wil?
  5. ‘Jij kunt goed frituren zeg,’ zei een van de blonde meisjes. Ze zei het niet tegen mij. Ik dronk wat van de rumcola die Vin voor me had ingeschonken. Dat had ik beter niet kunnen doen.
  6. Mijn telefoon gaat weer. Het is niet ver lopen.
  7. Het leven voelt als een film, zoals het zich om mij heen voltrekt. Daar kom ik: de camera zit op een kraan, de kraan draait, de camera zwiept langs me heen, richting het ingepakte object midden op het plein. De film van mijn leven spoedt voort.
  8. Binnen is de hitte haast ondraaglijk. Ik check mijn gastheer in een flits, met een schuin oog, en concentreer me daarna weer op het spel.
  9. De alcohol zakte in mijn lichaam. Nadat ik mijn rechtervoet diep onder het beddengoed heb verborgen slaap ik rustig verder.
  10. Gisteren was ik voor de laatste keer op school. Ik sta op en kleed me aan.

Het dorp

  1. Evelien zegt: ‘Welkom in Sneeuwdorp, een pittoresk boerendorp in het oosten van het land.’ Op het plein is het windstil, maar boven het hoofd van de sneeuwpop spoeden de wolken voort, grijs, grijzer, grijst.
  2. Het regende, we kwamen terug van de bioscoop. Tot ik de jongen met de baseballcap herken. Het is Vin.
  3. De televisie geeft hem signalen in de vorm van beeld en geluid. Ik zeg: hoi, Veerle.
  4. Mia stond te wachten voor de deur van mijn ouderlijk huis. Ik was alleen thuis, een zomerdag. Go, go, go!

De storm

  1. Vandaag is alles al beter dan gisteren en morgen wordt het nog weer beter. Het is de lekkerste douche die ik ooit heb meegemaakt. Er vallen waterspetters op de wc-bril en op het boekje naast de wc.
  2. Heb je ooit zo’n rode horizon gezien? Mia kreunt.
  3. ‘Moet je voelen,’ zegt Veerle. Ze zegt: ‘Sneeuwdrop.’
  4. Vier dagen geleden, donderdag, ging ik met Mia naar het schoolfeest om de aanvang van de kerstvakantie te vieren. Daarna ging het snel. Maar daarover later meer.
  5. Hoe kan het ook anders. Daarna maakte het allemaal niets meer uit.
  6. Iemand zei ooit: kom, we gaan de piramides van Cheops bouwen. Ik strompel verder, kletsnat en balancerend rond het vriespunt, maar met hernieuwd enthousiasme. Het is, schat ik, nog maar twintig minuten lopen.
  7. Het was snel gegaan die donderdagavond. De stem klonk ver weg.
  8. Ik stap door de sneeuw en denk terug. Dat verandert alles. En ik deed niet eens moeite.
  9. Ze is eindelijk ook verschenen in mijn Fractalus-fantasie. We zijn er nu bijna. We hoeven alleen nog goed te worden.
  10. Hoe symbolisch: ik heb Vins telefoontje weggedrukt. Ik schrijf terug dat mijn oren weer warm zijn en loop de trap op.
  11. Als ik in bed lig denk ik aan Mia. Zo gaat dat, dan heb ik een hele dag niet aan haar gedacht en ineens is ze daar weer. Het is opnieuw kortaf. Zo gaat dat in sms-taal.
  12. Ik blijf in Sneeuwdorp! Ik wacht en wacht en wacht, maar er gebeurt niets.
  13. Wij ploeteren voort, ik zeg het je! Het sneeuwen is gestopt, de maan breekt door. Ik zie een vallende ster. Echt.

De kalmte

  1. Mensen vragen mij wellicht ooit: ‘Kever, waar was je in de nacht van 23 op 24 december 2002, tijdens de grote sneeuwstorm bij Sneeuwdorp?’ Ja, zeg ik tegen allebei.
  2. Boris staat onder de douche. Hij kreunt. Ik ben heer en meester, ik zeg het je.
  3. Evelien geeft me een rondleiding. ‘Is de salade al klaar, slome duikelaars?’
  4. Al bij het voorgerecht krijgt mijn gastheer ervan langs. Gitarumans sigaret stop ik in de binnenzak van mijn winterjas.
  5. Om mijn nek bind ik honderdduizend sjaals. Een miljoen, een miljard, steeds meer, tot mijn nek en de sjaals samen de wereld zijn. Jezus houdt ook van mij, een geruststellend idee.
  6. Van een afstand ziet het leven er zo simpel uit. In de verte beginnen twee honden te blaffen.
  7. Ik heb altijd al de neiging gehad om weg te gaan. En het respect dat ik voel is diep.
  8. Ik denk: de wereld is een schudbol. En de mensen zullen hun hoofd kantelen, met hun ogen rollen en lachen. Héél beschaafd glimlachen.