Cijferzever

Er zijn twee tijdschriften waarvoor ik schrijf die van mij niet alleen een intelligente analyse en een leuk verhaal over een nieuw verschenen videogame verwachten, maar ook… een score.

Het liefst schaf ik ze af. En als dat niet kan doe ik het met één tot vijf sterren. Helaas hebben beide bladen complexe scoresystemen.

Ik vind scores kinderachtig en lelijk, en ik vind dat ze afdoen aan mijn artikelen: “Oh, dit spel krijgt een zeven. Dan zal het verhaal ook wel middelmatig zijn.” En dat is nog niet alles: hoe langer ik over scores nadenk, hoe minder ik ervan snap.

(Dit roep ik al jaren, dus je kunt wel nagaan hoe weinig ik inmiddels begrijp van deze hogere wiskunde.)

Voor ‘N Gamer’, het blad over Nintendo-spellen, moet ik een punt geven tussen de één en de tien. En dat is nog niet alles, ik mag ook halve punten uitdelen.

Een tijdje geleden speelde ik ‘Mario Kart: Double Dash!!’. De testsessie was bij Nintendo Benelux in Nieuwegein en er waren ook twee jongens van GameCube Europe. Het was lachen geblazen tijdens de competitieve potjes met deze heren. Verder zagen de racebanen er fleurig uit en waren er heel wat speelstanden. Het spel zat goed in elkaar maar ik had niet het idee dat ik iets nieuws speelde. Bovendien werden de races snel chaotisch.

Het Engelse spellenblad ‘Edge’ vertaalde mijn gevoel naar het getal vijf. Edge is heel duidelijk wat scores betreft. Men deelt alleen hele cijfers uit en legt precies uit wat iedere score betekent. Een vijf is voor de gemiddelde game. Punt.

Bij N Gamer is dit alles niet zo vastomlijnd. Het enige dat de verzamelde redactie weet is dat een vijf voor Mario Kart te laag is. Een vijf was een onvoldoende op school. Waarom zou Mario Kart een onvoldoende krijgen? Zo’n bekend spel dat leuk is om te spelen en goed in elkaar zit!

Ik gok dat er redactieleden zijn die vinden dat de juiste score 6,5, 7,5 of 8,5 is.

Als je N Gamer doorbladert is een interessant fenomeen zichtbaar. Opvallend veel games krijgen een 7,5. Of net iets hoger of net iets lager. Maar als je de bijbehorende artikelen leest ontdek je beschrijvingen van spellen waarvan de kwaliteit sterk uiteen loopt.

In sommige gevallen is de 7,5 een teken van middelmatigheid. Soms staat de 7,5 voor een prima, maar niet revolutionaire game. En soms zegt de 7,5: “Ik vind hier niks aan, maar misschien kan de lezer er wel iets mee. Bijvoorbeeld als hij een liefhebber is van dit stomvervelende genre.”

Misschien is het die associatie met schoolcijfers. Ik ben nooit een briljante leerling geweest. Ik was blij met een 5,5 voor een proefwerk. Dat betekende namelijk dat ik voorlopig voldoende stond. Maar ik vermoed dat er jongens voor N Gamer schrijven die met heel wat fraaiere rapporten naar huis gingen.

Ik vind eigenlijk dat de makers van Mario Kart blij mogen zijn met een zesje. Ze hebben het weer gered met Double Dash!!, maar daarmee is alles gezegd.

Overigens, het gaat me niet om Mario Kart. Ik zou graag zien dat er een duidelijke schaal komt voor N Gamer. Hebben we een schaal van één tot tien waarbij het slechtste spel een één krijgt en het beste spel een tien? Waarom heb ik dan nog nooit een één in het blad gezien, laat staan een tien?

Vinden we de vijf te eng? Kunnen we dan in ieder geval de zes gebruiken voor de spreekwoordelijke 7,5, de zeven voor goeie dingen, de acht voor geweldigheid, de negen voor meesterwerken en de tien voor het zeldzame spel dat het medium een schop in de goeie richting geeft? En als ik te streng ben, kan iemand anders dan per direct een betere schaal formuleren?

Bij ‘Official PlayStation 2 Magazine’, het blad over PlayStation-spellen, is het nog erger. Daar moet ik tot twintig punten geven voor beeld, tot twintig punten voor geluid en muziek en tot veertig punten voor gameplay. Die punten moet ik optellen en dan heb ik de eindscore die de lezers checken voordat ze wellicht aan m’n sprankelende recensie beginnen.

Er zijn best leuke spellen met matige beelden en geluiden. Die zou ik zelf twee of drie uit vijf sterren geven, afhankelijk van mijn enthousiasme. In OPM2 geef ik vijf punten voor beeld, vijf punten voor geluid en twintig punten voor gameplay. Kom ik uit op dertig. Naast alle zeventigs en tachtigs in het blad klinkt dat als “de meest afgrijselijke poep die ooit op de PlayStation is uitgebracht”.

Moet ik beginnen met een fraai eindcijfer en dat herleiden tot drie subscores? Wat als ik niet anders kan dan, bijvoorbeeld, met een absurd hoge score komen voor de beelden van een lelijke game?

Wat betekent het eigenlijk, dat het ene spel 18-mooi is en het andere spel 19-mooi?

Wie heeft er überhaupt iets aan scores als smaken verschillen?

Bij mijn vorige OPM2-recensie ben ik een half uur bezig geweest met cijfertjes. Ik kwam er niet uit omdat het een retrospel betrof, een collectie met negen versies van een spel uit de prehistorie. Hoe moest ik de beelden en geluiden becijferen, om nog maar niet te spreken over de zeer beperkte spelmechaniek? Hoe kon ik scores geven die klopten voor zowel ‘Grand Theft Auto’-fans als de nostalgisten en historici voor wie het spel was gemaakt?

Uiteindelijk heb ik gewoon maar iets gedaan, uit de losse hand, en tegen de hoofdredacteur gezegd dat ie het mocht aanpassen. Graag zelfs. De tekst was wel in orde, vond ik.