Dit kutgenre kan me gestolen worden

Ik heb nog nooit zoveel moeite gehad met het schrijven van spelrecensies als de afgelopen weken. Het zal de verandering der seizoenen wel zijn. Of misschien doe ik dit werk gewoon al te lang. Of ik moet niet zo zeuren en gewoon schrijven.

Ik erger me aan de stijl van de huidige gamebladen. Schrijven in de ‘wij’-vorm, doen alsof je verhaal de enige en onmiskenbare waarheid is. En als iemand je daar vervolgens op aanvalt zeggen dat het ‘ook maar een mening’ is.

Misschien dacht ik vroeger dat ik de waarheid in pacht had, dat mijn mening superieur was aan alle meningen. Dat ik die stellige vorm zo rechtvaardigde. De realiteit is dat ik de meeste spellen maximaal een paar uur kan spelen voordat ik een recensie schrijf en dat mijn stuk hoogstens een persoonlijke visie kan zijn. Een visie die best wat waard is, daar niet van, want ik denk al jaren veel te veel na over videogames en weet veel over het onderwerp. Over bijna ieder spel heb ik een mooie anekdote te vertellen.

Dat is het: ik wil mí­jn verhaal vertellen. Niet het verhaal van de verzamelde gamepers. Ik ben momenteel bezig met een stuk over ‘The Lord of the Rings: Return of the King’, een vechtspel-gebaseerd-op-film van Electronic Arts. Ik wil op goudeerlijke toon roepen dat ik zulke rondloop- en vechtspellen in het tijdperk van ‘Streets of Rage’ en ‘Final Fight’ ook al niet leuk vond, en dat ‘Return of the King’ me daarom ook amper interesseert. Beetje rammen op de knoppen, af en toe door alle vijanden die voor je neus staan niet eens meer zien wat je doet. Nou, leuk.

Dat wil ik vervolgens best nuanceren met alinea’s over de prachtige sfeer die het spel uitademt, de filmbeelden, het RPG-systeem en de geinige extra’s, maar in de basis wil ik eerlijk zijn tegen mijn lezer. Nu zal ik het moeten doen met een standaard ‘een leuk spel voor wie van het genre houdt’. Ondanks dat dat kutgenre me gestolen kan worden.