Het valt niet mee om verkering te hebben met een avonturier

Het is nu al niet meer haar kamer.

De pindakaas staat op tafel en niet in het kastje, net als de Pringles, de vlokfeest en de rijstwafels. De gordijnen zijn de hele dag dicht geweest; de knuffels liggen náást het bed; de deken ligt opgefrot, onopgemaakt. De tv staat op standby en de PlayStation-controller ligt onopgerold op de grond.

Er wordt alleen maar góeie muziek gedraaid (maar ik mis die irritant blije cd van ‘Raccoon’ desondanks).

*

Anderhalve dag eerder, vliegveld Zaventem. Ik heb niet meer zo’n zin om te praten. Wattenwolken en een roze gloed vormen het uitzicht van het panoramarestaurant.

De dag breekt aan en daar gaat ze, langs de douane. In haar eentje met elf kilo handbagage. Ze is de liefste en de dapperste maar ook de stomste ter wereld, want waarom gaat ze weg? En waarom zo lang? En waarom zo ver?

Ik denk aan hoe ze haar benen scheert. Ik denk aan hoe ze klaagt dat ik pas de was doe als mijn onderbroeken op zijn. Ik denk aan hoe ze vertederd met haar ogen knippert.

Ik denk aan hoe ze praat en ik denk aan hoe ze lacht en ik denk aan hoe ze huilt en ik denk aan hoe ik al die dingen de komende maanden alleen maar ga denken en verder niets.

*

(Annemieke is onderweg en ze rapporteert over haar avonturen op haar reislog.)