The Matrix

In Mann’s Chinese Theater in Hollywood zag ik ‘The Matrix’. Ik had gehoord dat de film ongelooflijk was, een spektakel, een nieuw soort film die je nog nooit had gezien. Ik leed al aan een indruk-overload, en de beste film ooit, dat kon er ook nog wel bij.

Ik was voor het eerst van mijn leven in Amerika, moe door de lange reis en het tijdverschil. Buiten de bioscoop stond een lange rij mensen die al weken op ‘Star Wars Episode 1: The Phantom Menace’ wachtte. Ik maakte foto’s van gekke Star Wars-fans met gigantische Matrix-posters op de achtergrond. De zaal was enorm, ik at uit de grootste beschikbare mand popcorn. Die ging hoogstens voor een derde leeg. Ik was van alles onder de indruk… behalve van de film.

Ik vond ‘m leuk, daar niet van, maar niet bijzonder. Extreem stoer, knap gemaakt, een leuk verhaaltje. Meer niet. Ook bij latere kijkbeurten heeft The Matrix me niet meer weten te raken op de magische manier waar anderen over vertellen.

Eerder dit jaar verschilden de meningen nogal over ‘The Matrix Reloaded’. Ik vond ‘m… leuk, maar ook niet bijzonder. Ik vroeg me af waar al de complexe vragen die deze film opwierp voor nodig waren en werd benieuwd gemaakt naar de afsluiter van de trilogie. Ik vond het leuk hoe letterlijk de wereld uit balans raakte, zoals dit hoort aan het einde van het tweede bedrijf van een heldenverhaal. Precies zoals in mythen en sagen, zoals ik dat geleerd heb uit ‘De held met de duizend gezichten’ van Joseph Campbell.

Gistermiddag zag ik ‘The Matrix Revolutions’ en voor de derde keer wist ik me goed te vermaken. Er zitten twee superscènes in de film, waar ik heel blij van werd: de strijd om de stad Zion en de definitieve knokpartij tussen Neo en agent Smith. Mijn oren gingen ervan flapperen.

Maar stiekem dacht ik bij mezelf: al dat semi-filosofische geouwehoer, al die ingewikkelde onzin, dat was gewoon een smoes van de makers om een overtuigende futuristische oorlog en een écht superheldengevecht te mogen filmen.