Stofdeeltje

We hadden onze eerste stappen gezet in Manhattan.

Midden op Times Square keken we om ons heen, grote ogen, open monden. Overal licht als van een hoogtezon. Overal merknamen.

Het was stil tot Collin zei: “Zouden we al op een stofdeeltje van het World Trade Center hebben gestaan?” Ik haalde mijn schouders op. Ik dacht van wel. Zulke grote gebouwen, zo dichtbij.

De volgende ochtend keken we uit op de lege plek tussen wolkenkrabbers. Een indrukwekkend idee dat de terroristisch verwijderde torens een keer of twee zo hoog waren als de enorme gebouwen waartussen we ons nu verscholen hadden.

Er vloog iets in mijn linkeroog. Ik knipperde met mijn ooglid, er gebeurde niets. Ik probeerde het weg te vegen, maar het ging alleen maar dieper.

Collin zei: “Nu moet het wel. Nu kan het niet anders of we hebben op een stofdeeltje van het World Trade Center gestaan.” Mijn oog traande. Ik knikte.